Main Index: Hollands Statenvertaling

 

Genesis 10

[1]
[2]
[3]
[4]
[5]
[6]
[7]
[8]
[9]
[10]
[11]
[12]
[13]
[14]
[15]
[16]
[17]
[18]
[19]
[20]
[21]
[22]
[23]
[24]
[25]
[26]
[27]
[28]
[29]
[30]
[31]
[32]
[33]
[34]
[35]
[36]
[37]
[38]
[39]
[40]
[41]
[42]
[43]
[44]
[45]
[46]
[47]
[48]
[49]
[50]

10:1 Dit nu zijn de geboorten van Noachs zonen: Sem, Cham, en Jafeth; en hun werden zonen geboren na den vloed.

10:2 De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras.

10:3 En de zonen van Gomer zijn: Askenaz, en Rifath, en Togarma.

10:4 En de zonen van Javan zijn: Elisa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten.

10:5 Van dezen zijn verdeeld de eilanden der volken in hun landschappen, elk naar zijn spraak, naar hun huisgezinnen, onder hun volken.

10:6 En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraim, en Put, en Kanaan.

10:7 En de zonen van Cusch zijn: Seba en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha. En de zonen van Raema zijn: Scheba en Dedan.

10:8 En Cusch gewon Nimrod; deze begon geweldig te zijn op de aarde.

10:9 Hij was een geweldig jager voor het aangezicht des HEEREN; daarom wordt gezegd: Gelijk Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht des HEEREN.

10:10 En het beginsel zijns rijks was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear.

10:11 Uit ditzelve land is Assur uitgegaan, en heeft gebouwd Nineve, en Rehoboth, Ir, en Kalach.

10:12 En Resen, tussen Nineve en tussen Kalach; deze is die grote stad.

10:13 En Mitsraim gewon de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten,

10:14 En de Pathrusieten, en de Casluchieten, van waar de Filistijnen uitgekomen zijn, en de Caftorieten.

10:15 En Kanaan gewon Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,

10:16 En den Jebusiet, en den Amoriet, en den Girgasiet,

10:17 En den Hivviet, en den Arkiet, en den Siniet,

10:18 En den Arvadiet, en den Tsemariet, en den Hamathiet; en daarna zijn de huisgezinnen der Kanaanieten verspreid.

10:19 En de landpale der Kanaanieten was van Sidon, daar gij gaat naar Gerar tot Gaza toe; daar gij gaat naar Sodom en Gomorra, en Adama, en Zoboim, tot Lasa toe.

10:20 Deze zijn zonen van Cham, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hun landschappen, in hun volken.

10:21 Voorts zijn Sem zonen geboren; dezelve is ook de vader aller zonen van Heber, broeder van Jafeth, den grootste.

10:22 Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram.

10:23 En Arams zonen waren Uz, en Hul, en Gether, en Maz.

10:24 En Arfachsad gewon Selah, en Selah gewon Heber.

10:25 En Heber werden twee zonen geboren; des enen naam was Peleg; want in zijn dagen is de aarde verdeeld; en zijns broeders naam was Joktan.

10:26 En Joktan gewon Almodad, en Selef, en Hatsarmaveth, en Jarach,

10:27 En Hadoram, en Usal, en Dikla,

10:28 En Obal, en Abimael, en Scheba,

10:29 En Ofir, en Havila, en Jobab; deze allen waren zonen van Joktan.

10:30 En hun woning was van Mescha af, daar gij gaat naar Sefar, het gebergte van het oosten.

10:31 Deze zijn zonen van Sem, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hun landschappen, naar hun volken.

10:32 Deze zijn de huisgezinnen der zonen van Noach, naar hun geboorten, in hun volken; en van dezen zijn de volken op de aarde verdeeld na den vloed.