We Love God!

God: "I looked for someone to take a stand for me, and stand in the gap" (Ezekiel 22:30)

The external call may therefore be defined as the presentation of the gospel and offer of salvation to all sinners. This call or invitation to come to Christ to receive the forgiveness of sins is indiscriminate, which is to say it is not restricted to any one group, age, class, or nation. [It] is simply the command of God that all men everywhere should repent and believe in order that they might be saved (see Matt. 11:28; 28:19; Luke 24:47; John 16:7-8; Acts 17:30; Rev. 22:17). This call, because it is external only, may be resisted and refused (see especially Acts 7:51; John 16:7-11).
Sam Storms

Whether God has decreed all things that ever come to pass or not, all that own the being of a God, own that He knows all things beforehand. Now, it is self-evident that if He knows all things beforehand, He either doth approve of them or doth not approve of them; that is, He either is willing they should be, or He is not willing they should be. But to will that they should be is to decree them.
Jonathan Edwards

Bible – dutch – FREE Online Hollands Statenvertaling. Genesis Chapter 15:1-21.

Main Index: Hollands Statenvertaling

 

Genesis 15

[1]
[2]
[3]
[4]
[5]
[6]
[7]
[8]
[9]
[10]
[11]
[12]
[13]
[14]
[15]
[16]
[17]
[18]
[19]
[20]
[21]
[22]
[23]
[24]
[25]
[26]
[27]
[28]
[29]
[30]
[31]
[32]
[33]
[34]
[35]
[36]
[37]
[38]
[39]
[40]
[41]
[42]
[43]
[44]
[45]
[46]
[47]
[48]
[49]
[50]

15:1 Na deze dingen geschiedde het woord des HEEREN tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.

15:2 Toen zeide Abram: Heere, HEERE! wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen heenga en de bezorger van mijn huis is deze Damaskener Eliezer?

15:3 Voorts zeide Abram: Zie, mij hebt Gij geen zaad gegeven, en zie, de zoon van mijn huis zal mijn erfgenaam zijn!

15:4 En ziet, het woord des HEEREN was tot hem, zeggende: Deze zal uw erfgenaam niet zijn; maar die uit uw lijf voortkomen zal, die zal uw erfgenaam zijn.

15:5 Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zeide: Zie nu op naar den hemel, en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw zaad zijn!

15:6 En hij geloofde in den HEERE; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.

15:7 Voorts zeide Hij tot hem: Ik ben de HEERE, Die u uitgeleid heb uit Ur der Chaldeen, om u dit land te geven, om dat erfelijk te bezitten.

15:8 En hij zeide: Heere, HEERE! waarbij zal ik weten, dat ik het erfelijk bezitten zal?

15:9 En Hij zeide tot hem: Neem Mij een driejarige vaars, en een driejarige geit, en een driejarigen ram, en een tortelduif, en een jonge duif.

15:10 En hij bracht Hem deze alle, en hij deelde ze middendoor, en hij leide elks deel tegen het andere over; maar het gevogelte deelde hij niet.

15:11 En het wild gevogelte kwam neder op het aas; maar Abram joeg het weg.

15:12 En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem.

15:13 Toen zeide Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hunne niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaren.

15:14 Doch Ik zal het volk ook rechten, hetwelk zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote have.

15:15 En gij zult tot uw vaderen gaan met vrede; gij zult in goeden ouderdom begraven worden.

15:16 En het vierde geslacht zal herwaarts wederkeren; want de ongerechtigheid der Amorieten is tot nog toe niet volkomen.

15:17 En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar was een rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging.

15:18 Ten zelfden dage maakte de HEERE een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:

15:19 Den Keniet, en den Keniziet, en den Kadmoniet,

15:20 En den Hethiet, en den Fereziet, en de Refaieten,

15:21 En den Amoriet, en den Kanaaniet, en den Girgaziet, en den Jebusiet.