Main Index: Hollands Statenvertaling

 

Job 40

[1]
[2]
[3]
[4]
[5]
[6]
[7]
[8]
[9]
[10]
[11]
[12]
[13]
[14]
[15]
[16]
[17]
[18]
[19]
[20]
[21]
[22]
[23]
[24]
[25]
[26]
[27]
[28]
[29]
[30]
[31]
[32]
[33]
[34]
[35]
[36]
[37]
[38]
[39]
[40]
[41]
[42]

40:1 (39:34) En de HEERE antwoordde Job, en zeide:

40:2 (39:35) Is het twisten met den Almachtige onderrichten? Wie God bestraft, die antwoorde daarop.

40:3 (39:36) Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:

40:4 (39:37) Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond.

40:5 (39:38) Eenmaal heb ik gesproken, maar zal niet antwoorden; of tweemaal, maar zal niet voortvaren.

40:6 (40:1) En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:

40:7 (40:2) Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.

40:8 (40:3) Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?

40:9 (40:4) Hebt gij een arm gelijk God? En kunt gij, gelijk Hij, met de stem donderen?

40:10 (40:5) Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid!

40:11 (40:6) Strooi de verbolgenheden uws toorns uit, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem!

40:12 (40:7) Zie allen hoogmoedige, en breng hem ten onder; en verpletter de goddelozen in hun plaats!

40:13 (40:8) Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!

40:14 (40:9) Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.

40:15 (40:10) Zie nu Behemoth, welken Ik gemaakt heb nevens u; hij eet hooi, gelijk een rund.

40:16 (40:11) Zie toch, zijn kracht is in zijn lenden, en zijn macht in den navel zijns buiks.

40:17 (40:12) Als het hem lust, zijn staart is als een ceder; de zenuwen zijner schaamte zijn doorvlochten.

40:18 (40:13) Zijn beenderen zijn als vast koper; zijn gebeenten zijn als ijzeren handbomen.

40:19 (40:14) Hij is een hoofdstuk der wegen Gods; die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard aangehecht.

40:20 (40:15) Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen al de dieren des velds aldaar.

40:21 (40:16) Onder schaduwachtige bomen ligt hij neder, in een schuilplaats des riets en des slijks.

40:22 (40:17) De schaduwachtige bomen bedekken hem, elkeen met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem.

40:23 (40:18) Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt, dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken.

40:24 (40:19) Zou men hem voor zijn ogen kunnen vangen? Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen?